Waarom de stem van ‘niet goed genoeg’ vaak verkeerd begrepen wordt
- Claudia Scholten

- 18 mei
- 4 minuten om te lezen
Veel mensen ervaren het gevoel van ‘niet goed genoeg zijn’ als bewijs dat er iets aan hen ontbreekt. Alsof die innerlijke onrust pas verdwijnt wanneer ze slimmer, succesvoller, rustiger, sterker of zelfverzekerder worden. Vanuit die overtuiging ontstaat vaak een leven dat grotendeels in het teken staat van zelfverbetering. Meer inzicht. Meer ontwikkeling. Meer werken aan jezelf.
Ik ben (inmiddels) van mening dat daar een fundamenteel misverstand onder ligt.
Tijdens een opleidingsweekend voor mijn ICF-certificering nam Morgane Meulemans, PCC van CoachingWays ons mee in een onderzoek naar innerlijke drijfveren en oude overlevingsmechanismen. Ik verwachtte eigenlijk dat één specifiek patroon bij mij nog sterk aanwezig zou zijn: de voortdurende innerlijke beweging om mezelf te bewijzen, beter mijn best te doen en voortdurend te blijven verbeteren. Tot mijn verrassing bleek dat veel minder dominant aanwezig dan ik dacht.
Wat mij vooral raakte, was niet de uitkomst van het onderzoek zelf, maar het inzicht dat daarna ontstond. Ik realiseerde me dat de stem van ‘niet goed genoeg’ niet per se zachter was geworden omdat ik mezelf eindelijk volledig goed genoeg ben gaan voelen. Die stem verschijnt nog steeds. Alleen begrijp ik haar (steeds vaker) anders dan vroeger.
En precies daar zit volgens mij een belangrijk psychologisch onderscheid.
We behandelen het gevoel van ‘niet goed genoeg zijn’ vaak alsof het een foutmelding is. Alsof ons systeem ons probeert duidelijk te maken dat we tekortschieten en dus harder moeten werken aan onszelf. Maar wat als die stem niet ontstaat omdat er iets mis is met je? Wat als ze juist ontstaat doordat je onderweg delen van jezelf bent kwijtgeraakt of bent gaan onderdrukken om geaccepteerd, gewaardeerd of veilig te blijven?
Dat zie ik niet alleen in persoonlijke ontwikkeling terug, maar juist ook in leiderschap en professionele contexten. Hoe intelligenter, verantwoordelijker en succesvoller mensen worden, hoe vaker ik zie dat hun identiteit zich langzaam vernauwt tot een versie van zichzelf die functioneel en sociaal wenselijk is. De competente versie. De sterke versie. De beheerste versie. De professionele versie.
En vaak werkt die versie uitstekend.
Tot het lichaam begint mee te praten. Tot iemand merkt dat de voortdurende alertheid niet meer uitgaat, emoties sneller oplopen of besluitvorming ineens zwaar begint te voelen. Niet omdat iemand zwak is geworden, maar omdat het steeds meer energie kost om delen van zichzelf buiten beeld te houden.
Volgens mij ligt daar vaak de werkelijke spanning onder het gevoel van ‘niet goed genoeg zijn’. Niet dat iemand onvoldoende is, maar dat iemand zichzelf alleen nog waardevol vindt zolang bepaalde delen zichtbaar mogen zijn. Alles wat niet past binnen het opgebouwde zelfbeeld wordt naar de achtergrond gedrukt: gevoeligheid, boosheid, verdriet, twijfel, grenzen, verlangens of kwetsbaarheid. Niet omdat die delen verdwenen zijn, maar omdat ze ooit onveilig voelden.
In datzelfde weekend verbreedde Willem Royaards (M.npn) mijn denken hierover nog verder door de koppeling te maken met hoe het brein veiligheid voorspelt en voortdurend betekenis geeft aan wat we ervaren.

Vanuit neurowetenschappelijk perspectief is dat eigenlijk heel logisch.
Ons brein is in de basis geen orgaan dat primair gericht is op geluk, waarheid of zelfontwikkeling. De eerste taak van het brein is overleven, en dat doet het zo energiezuinig mogelijk. Veiligheid kost minder energie dan voortdurende alertheid. Daarom voorspelt het brein voortdurend wat er gaat gebeuren op basis van eerdere ervaringen, emoties en opgeslagen patronen.
Veel van wat wij ervaren als “de werkelijkheid” is daarom niet objectief, maar een razendsnelle interpretatie van het brein over wat veilig of onveilig zou kunnen zijn.
Dat proces verloopt grotendeels automatisch. Nog voordat we bewust nadenken, heeft het brein vaak al een voorspelling gemaakt, bereidt het lichaam zich daarop voor en geven wij vervolgens betekenis aan wat we lichamelijk ervaren.
Wanneer iemand bijvoorbeeld diep vanbinnen heeft geleerd dat afwijzing gevaarlijk is, kan het brein voortdurend signalen van mogelijk tekortschieten voorspellen. Het lichaam gaat zich daarop voorbereiden met spanning, alertheid of stressactivatie, waarna de gedachte ontstaat: “Zie je wel, ik ben niet goed genoeg.”
Niet omdat dat objectief waar is, maar omdat het systeem ooit heeft geleerd dat dit nodig was om veilig te blijven.
Juist door herhaling ontstaan hierin sterke neurale paden. Neuroplasticiteit werkt namelijk niet alleen in ons voordeel. Alles wat vaak herhaald wordt in combinatie met emotionele lading, wordt efficiënter opgeslagen door het brein. Dat geldt dus ook voor patronen van zelfkritiek, perfectionisme en voortdurende zelfcorrectie.
En precies daarom kun je dit soort patronen niet uitsluitend cognitief oplossen. Je kunt jezelf niet duurzaam uit een overlevingsreactie nadenken terwijl het lichaam nog steeds gevaar voorspelt. Daardoor ontstaat een innerlijke verdeeldheid die we vervolgens interpreteren als persoonlijk tekortschieten.
Dat is ook waarom externe bevestiging uiteindelijk zelden echt landt. Je kunt nog zoveel erkenning krijgen, maar zolang delen van jezelf intern afgewezen blijven, ontstaat er geen werkelijk gevoel van heelheid. Dan blijf je afhankelijk van prestaties, controle of bevestiging om je bestaansrecht tijdelijk veilig te stellen.
En precies daar zie ik dat persoonlijke ontwikkeling soms ongemerkt omslaat in een subtiele vorm van zelfafwijzing. Ontwikkeling lijkt dan groei, maar wordt in werkelijkheid een voortdurende poging om acceptabel te worden.
Sterk zijn lijkt veerkracht, maar is soms overleven. Controle lijkt leiderschap, maar is soms angst. En voortdurend aan jezelf werken lijkt bewustzijn, terwijl het soms vooral voortkomt uit de overtuiging dat je huidige zelf nog onvoldoende is.
Dat betekent niet dat groei of ontwikkeling onbelangrijk zijn. Integendeel. Maar ik denk wel dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen groeien vanuit tekort en groeien vanuit heelheid. In het eerste geval probeer je iemand te worden die eindelijk goed genoeg is. In het tweede geval ontstaat ontwikkeling juist doordat je steeds minder delen van jezelf hoeft af te wijzen.
Misschien is dat uiteindelijk ook wat volwassen leiderschap vraagt. Niet dat je nooit meer twijfelt, nooit meer onzeker bent of jezelf volledig ‘af’ voelt. Maar dat je leert aanwezig te blijven bij alles wat je onderweg in jezelf tegenkomt, zonder direct te vervallen in controle, perfectionisme of zelfcorrectie.
Misschien zegt de stem van ‘niet goed genoeg’ daarom niet altijd: “Je moet beter worden.”
Misschien zegt ze veel vaker: “Er zijn nog delen van jezelf die je niet volledig durft toe te laten.”





















Opmerkingen