top of page

Wanneer zijn we gaan geloven dat altijd aanstaan normaal is?

Mijn jongste dochter zei laatst iets dat me raakte. "Mam, ik heb zoveel stress. Ik vind het al lastig om te plannen. En deze periode is extra druk."


Ze heb haar geholpen met plannen, maar het was niet het plannen dat me bezighield. Wat me bezighield was iets anders. Dat een kind tegenwoordig het woord stress gebruikt alsof het de normaalste zaak van de wereld is.


Niet als noodkreet. Niet als uitzondering.

Als een logische beschrijving van haar leven op dat moment. Dat is precies wat me raakte; dat niemand er nog van opkijkt.



Wanneer zijn we eigenlijk gaan geloven dat altijd aanstaan normaal is?

Wanneer zijn we gaan geloven dat een voortdurend actief brein, een volle agenda en een lichaam dat nauwelijks herstelt gewoon onderdeel zijn van een succesvol leven?


We leren kinderen plannen. We leren ze doelen stellen. We leren ze presteren. Maar wie leert ze herstellen? En...hebben we eigenlijk zelf wel (goed) geleerd hoe we herstellen?


Terwijl ik dit schrijf, kijk ik naar een lijstje dat ik het afgelopen jaar heb bijgehouden van activiteiten rondom één van mijn dochters. Ze zit op de basisschool en heeft één sport.


Alleen al de activiteiten waarbij ik als ouder betrokken word, kwamen uit op 29 momenten in één schooljaar. Schoolactiviteiten, uitvoeringen, sportmomenten, vieringen, ouderparticipatie en andere bijeenkomsten. Dan heb ik de activiteiten waarbij ik niet aanwezig hoef te zijn nog niet eens meegerekend.


Op zichzelf lijkt geen van die activiteiten problematisch. Sterker nog, veel ervan zijn leuk, waardevol en verbindend. Maar toen ik het lijstje eenmaal zag, vroeg ik me iets anders af:

Op welk moment hebben we besloten dat dit allemaal normaal is?


Misschien verklaren die 29 activiteiten ook waarom zoveel kinderen en volwassenen het gevoel hebben voortdurend achter de feiten aan te lopen. Niet omdat er iets mis is met hen, maar omdat hun systeem steeds opnieuw moet schakelen, aanpassen, presteren, onthouden, reageren en anticiperen.


En dat brengt ons bij een vraag die veel minder aandacht krijgt dan plannen, organiseren en productiviteit: Wat gebeurt er eigenlijk in een mens wanneer herstel structureel onder druk komt te staan?

Misschien kijken we daarom vaak op de verkeerde plek naar stress. We behandelen het als een psychologisch probleem. Iets wat we moeten oplossen met betere planning, meer discipline of meer mentale veerkracht. Maar wat als stress allereerst een biologisch proces is?


Ons zenuwstelsel is ontworpen om ons veilig te houden. Daarvoor scant het voortdurend onze omgeving op signalen van veiligheid en onveiligheid. Opvallend genoeg reageert het daarbij niet alleen op wat er daadwerkelijk gebeurt. Het reageert ook op wat het verwacht dat er gaat gebeuren.


Vanuit de neurowetenschappen weten we dat het brein voortdurend voorspellingen maakt. Op basis van eerdere ervaringen probeert het te anticiperen op wat komen gaat. Nog voordat we ergens bewust over nadenken, heeft het brein vaak al een inschatting gemaakt van wat belangrijk, spannend of potentieel bedreigend is.


Vervolgens bereidt het lichaam zich voor op wat het brein verwacht. Spieren spannen zich aan. De ademhaling verandert. Aandacht richt zich op wat belangrijk lijkt. Het systeem maakt zich klaar voor actie. Pas daarna geven we betekenis aan wat we ervaren. Vaak noemen we dat vervolgens stress.


Wat we vaak zien als een reactie op de werkelijkheid, is dus vaak een reactie op een voorspelling van ons brein. Dat is niet verkeerd. Dat is precies waar het systeem voor ontworpen is.

Het probleem ontstaat wanneer die staat van paraatheid geen uitzondering meer is, maar de standaard wordt.


Wanneer herstelmomenten verdwijnen.

Wanneer rust iets wordt dat we moeten verdienen.

Wanneer ons systeem nauwelijks nog ervaart dat het veilig genoeg is om uit te schakelen.


Dat zie ik bij veel volwassenen. Mensen die slim zijn. Betrokken zijn. Verantwoordelijkheid dragen. En die tegelijkertijd denken dat hun voortdurende onrust een persoonlijk probleem is. Alsof zij degene zijn die niet goed genoeg omgaan met druk.


Maar steeds vaker vraag ik me af of we het verkeerde probleem proberen op te lossen. Wat als stress niet alleen persoonlijk is? Wat als stress ook cultureel is?


Wat als een samenleving die voortdurend sneller, efficiënter en productiever wil worden, onbewust een zenuwstelsel creëert dat steeds minder gelegenheid krijgt om te herstellen? Dan wordt stress geen uitzondering meer. Dan wordt stress normaal. Dan groeit een generatie op die denkt dat voortdurend aanstaan onderdeel is van het leven. Niet omdat er iets mis met hen is. Maar omdat ze nooit iets anders hebben geleerd.


En misschien is dat precies waarom de woorden van mijn dochter me raakten. Niet omdat ze stress ervaart. Maar omdat een kind van haar leeftijd al woorden gebruikt die ooit vooral door overwerkte volwassenen werden uitgesproken.


Misschien moeten we onszelf daarom een andere vraag stellen.

Niet: Hoe leren we kinderen beter omgaan met stress?

Maar: Wanneer zijn we gaan geloven dat altijd aanstaan normaal is?

 
 
 

Opmerkingen


Meer artikelen...
bottom of page